Als milieu-installaties hun verwachte effect niet bereiken, ligt dat niet aan een gebrek aan pertinentie, noch aan een gebrek aan wil bij de organisaties die ze inzetten.
Hun grens ligt in hun vermogen om gezien, begrepen en geïntegreerd te worden. Eenmaal geïnstalleerd, concurreren deze voorzieningen met een omgeving die al verzadigd is van signalen, informatie en gewoonten. Zonder onderscheidend element worden ze snel onzichtbaar.
Deze onzichtbaarheid wordt versterkt door een homogeniteit in de boodschappen. Milieuvoorzieningen passen vaak in vergelijkbare visuele en discursieve codes, overwegend positief en aanmoedigend. Door herhaling neutraliseren deze boodschappen elkaar uiteindelijk.
Een te neutrale communicatie trekt de aandacht niet. Een te dwingende of beschuldigende communicatie kan daarentegen leiden tot afwijzing of vermijding. In beide gevallen is het resultaat hetzelfde : de voorziening is aanwezig, maar creëert geen betrokkenheid.
Naast deze zichtbaarheids-uitdaging is er een begripsuitdaging. De ecologische voordelen zijn vaak diffuus, indirect, soms abstract. Zonder concrete contextualisering wekken ze moeilijk een onmiddellijke reactie op.